Column

 Meister Eckhart

 

 Nu de maatregelen rondom Corona verscherpt zijn, word ik mij er van bewust dat deze hele periode mij op de één of andere manier meer doet bezinnen op wat voor ons of mij echt belangrijk is. Een proces van inkeer dat allereerst bewerkstelligd wordt door de omstandigheden. Ook een proces dat een beroep doet op mijn geestelijke weerbaarheid. Ik wil zoeken naar wat te leren is van deze periode en besef dat het dan belangrijk is om de tijd te nemen. Tijd voor inkeer en stilte. Daarbij wil ik me de komende tijd, elke dag laten leiden door een uitspraak van Meister Eckhart, een theoloog/mysticus uit de 13e eeuw die mij bijzonder inspireert. Inmiddels hebben de bijdragen de limiet van een pagina overschreden en moest ik de eerste 94 dagen verplaatsen naar het archief.

 

 

Dag 100

 “Het is de natuur van het Woord om aan mij te openbaren wat verborgen is geweest.”

 

Het raakt me dat de natuur van het Woord is om te openbaren. Dat betekent dat het Woord niet anders kan dan Zichzelf tonen vanuit de verborgenheid. Voor mij betekent dat ik omringd ben door het Woord dat zichzelf wil laten kennen. Het Woord vat ik op als meer dan de woorden uit de bijbel. Het Woord is meer. Het is God en als zodanig vlees geworden. Het is een beschrijving die goed zou passen in een theoretisch denken over God. Maar zo bedoel ik dat niet. Want het feit dat het Woord vlees is geworden, betekent voor mij juist dat het heel concreet onder ons is en zichzelf wil tonen. De vraag is dan voor mij wel hoe vaak ik het zie. Of anders gezegd: hoe aandachtig ga ik door de wereld?  Hoe vaak zijn er wezenlijke momenten waar ik aan voorbij ga? Of misschien zelfs niet eens op merk dat het een belangrijk moment was of is. Soms kun je zo in beslag genomen worden door iets, dat je de rest niet meer ziet. In enkele gevallen is dat haast onvermijdelijk. Als je je diepe zorgen maakt om je gezondheid of die van iemand van wie je houdt, dan zou het vreemd zijn om daar níet door in beslag genomen te worden. Maar er zijn ook zoveel momenten waardoor ik me in beslag laat nemen terwijl het om niets wezenlijks gaat. En ik daardoor niet zie, wat er is: het Woord, God, Jezus, de natuur, de mens. Deze uitspraak lees ik dan nu ook vooral als een uitnodiging en herinnering om aandachtig te leven. Want ik word omring door het Woord dat uit de verborgenheid zich aan mij onthult.

 

Dag 99

 “En toch, wanneer iemand iets heel goed leert kennen, worden ze daar snel moe van en zoeken dan naar iets nieuws en dit patroon herhaalt zich keer op keer, voortdurend nieuwsgierig om nieuwe dingen te leren terwijl ze nooit stil staan bij wat ze geleerd hebben.

 

We leven nu al bijna een jaar in een tijd waarin veel stil gelegd is en onze nieuwsgierigheid naar andere oorden en ervaringen sterk beteugeld worden. Dat geldt ook voor mij. Nog nooit in mijn leven was ik zoveel thuis als in het afgelopen jaar. Ik dacht ook altijd dat ik de afwisseling nodig had maar het bevalt me prima. Als ik eerlijk ben, heb ik me heel wat keren schuldig gemaakt aan waar Eckhart hier nu op wijst. Het voortdurend zoeken naar nieuwe dingen om te leren, zonder stil te staan bij wat ik geleerd heb. Daar helpt deze periode erg bij. En het bezig zijn met de teksten van Eckhart of beter gezegd: het gedisciplineerd een moment van de dag stil staan bij wat mij ten diepste drijft. Ik sta meer stil dan ooit bij hoe ik het geloof heb doorgekregen via mijn vader en moeder. Beiden hadden daar, ieder op de eigen manier, een aandeel in. Mijn moeder die het geloof nuchter bekijkt en bevraagt op de consequenties voor de alledaagse praktijk. Mijn vader die liefdevol, tolerant en open was en veel over het geloof nadacht. Maar zij zijn niet de enigen. In deze periode leer ik ook zien hoe mijn oma hierin ook voor mij tot voorbeeld was. Want zij was degene die het geloof ook sterk van binnen beleefde. Die gerust hele dagen over de weilanden kon zwerven op zoek naar bramen en andere zaken, maar waarvan ik nu inzie, dat ze daar veel meer vond dan alleen bramen. Bijzonder om zo stil te staan en te ervaren hoe je in de lijn van een heel voorgeslacht staat. Een voorgeslacht die geweten heeft dat hun leven door God gedragen is. 

 

Dag 98

“Dat je grote waarde mag vinden in dit: je kunt God liefde noemen. Je mag Hem ook zien als goed. Maar de beste naam voor God is mede-lijden.”

 

Zonder dat ik het wist wat de volgende uitspraak zou zijn, schreef ik gisteren mijn bijdrage over God die de godverlatenheid met ons wil delen. Dus met ons mee wil lijden. Want dat betekent het woord medelijden. Eckhart laat hier zien dat dit de meest wezenlijke eigenschap van God is. Meer nog dan goedheid of liefde. De liefde is natuurlijk wel de grondslag maar als het er op aankomt, is het het medelijden van God datgene waarin wij Hem kunnen herkennen. Met dat ik dit schrijf, dringt tot mij door hoe onvoorstelbaar dit is. Ik denk aan die jongen, die ik ooit sprak. Gevlucht naar Nederland, in Afrika kindsoldaat. Hij had de meest gruwelijke dingen meegemaakt. Het spelen van schietspelen op zijn playstation met het geluid op zijn hardst, zorgde ervoor dat de geluiden van geweerschoten in zijn hoofd werden overstemd. Keer op keer vertelde hij mij me wat hij had meegemaakt. En elke keer moest ik uren bijkomen van zo’n gesprek. Zo verschrikkelijk, zo onvoorstelbaar gewelddadig. Door zijn verhaal keek ik telkens in de duistere afgrond van het kwaad. Maar er was ook iets anders, waar ik toen geen woorden voor had. Maar wat er wel was, ergens, ondanks alles, tastbaar. Een tastend geloof dat God met deze jongen meeleed, en met hem die afgrond van het verschrikkelijkste kwaad in ging. Dat alles poetste zijn verhaal niet weg, het werd ook niet gladgestreken. Maar in die kale, koude, rauwe werkelijkheid van hem, was God er ook. Hij leed mee.  Onvoorstelbaar dat hij zijn kind niet losliet. Onvoorstelbaar dat hij zijn kinderen niet loslaat. Maar in alles wil mee lijden. En dat dit dus ook voor mij geldt, gold, toen… 

 

Dag 97

 “God is in gelijke mate dichtbij alle dingen en alle plaatsen, en geeft zich altijd weg in dezelfde mate zo diep als dat in Hem verankerd ligt. Daarom zal elk persoon Hem oprecht kennen, als ze Hem zien als Dezelfde in alle omstandigheden.”

 

Toen ik deze uitspraak las, was mijn eerste reactie. Wat een mooie uitspraak. God die op alle plaatsen en in alle dingen hetzelfde aanwezig is. Het maakt niet uit waar en in welke zaken het zijn: Hij laat zich overal in gelijke mate kennen. Een hele mooie gedachte. Ik probeer me voor te stellen, waar ik Hem dan allemaal zou kunnen zien. Totdat mijn oog valt op de tweede helft van de uitspraak:   want daarin wordt de consequentie duidelijk. Als God zich altijd in gelijke mate in alle dingen en plaatsen laat kennen, dan betekent dat omgekeerd dat ik Hem in alle omstandigheden als Dezelfde kan zien. Daar haakt mijn gedachte. Want zou het dan werkelijk in alle omstandigheden zijn dat Hij te zien is als Dezelfde? Sommige ervaringen van mensen zijn zo gruwelijk, koud, onverschillig en zo godverlaten, hoe zou God daarin dan zichtbaar of aanwezig zijn? Ik herinner me een aantal verhalen van mensen die mij hun verhaal toevertrouwden, waarin vooral de diepe treurigheid, pijn, geweld en eenzaamheid de boventoon voerde. Geen spoor van God.  Hoe is God dan te herkennen als Dezelfde?  Ik weet het niet. Ik weiger te geloven dat God te kennen is in zo’n situatie. Het enige wat ik dan kan geloven is dat Hij die ervaring van godverlatenheid met ons deelt.  En aanwezig en solidair is als degene, als Zijn Zoon, ooit riep: ‘mijn God, mijn God, waarom heb je mij verlaten.’ En verder geen woord meer uit kon brengen. Misschien is hij juist daardoor altijd Dezelfde. Dat Hij zelfs dit soort ervaringen wilde delen. Als God de godverlatenheid met ons wil delen. 

 

Dag 96

 “Let goed op hoe je gericht bent op God wanneer je in de kerk cel bent. Hou die staat van je geest vast en neem hem mee tussen een menigte mensen in. Hou hem ook vast te midden van onrust en tegenstrijdigheden.”

 

Vandaag weer een uitspraak die weer van een geheel andere orde is. Deze uitspraak is voor mij een uitnodiging om er over na te denken hoe mijn gerichtheid op God is, wanneer ik in de kerk ben. Ik vroeg me af of ik in de kerk meer gericht ben op God dan op andere plaatsen. Dat is in mijn geval niet zo. Ik hecht niet aan een bijzonder kerkgebouw, of het nu heel oud is of niet. Ik heb in de loop der jaren op zoveel plaatsen kerkdiensten bijgewoond, in zoveel verschillende kerkgebouwen, soms was het niet meer dan een bladerdak,  maar het maakte voor mij oprecht geen verschil hoe het kerkgebouw er aan toe was. Wat voor mij wel het verschil maakt, is dat de gerichtheid op God, iets is wat gezamenlijk beleefd wordt. Dan doet het gebouw er niet toe. Wat er wel toe doet, is een gemeenschap van mensen die samen zoeken en samen op weg willen gaan met God, soms heel aarzelend, soms met heel veel vragen. Die gemeenschap draagt je. De gemeenschap is wel degelijk een factor van belang voor mijn gerichtheid op God. Om die reden hecht ik aan betrokken te zijn bij een gemeente maar ook om de gemeente te betrekken bij wat ik doe. Dat hou ik vast. Toen ik in de gevangenis werkte, ben ik me er altijd bewust van geweest dat er een kerkelijke gemeenschap was (binnen en buiten de muren van de gevangenis) die dezelfde zoektocht naar God deelden. Ik kan me niet voorstellen dat ik los van een gelovige gemeenschap zou kunnen zijn. Hoewel tegelijkertijd ik ook in het alleen over een weiland of de natuur dwalen, mij ontzettend omringd kan weten door God of door zijn schepping. Ik heb het ook nodig soms alleen te zijn. Maar zelfs dan zoek ik uiteindelijk toch ook weer hoe ik deze ervaring kan verbinden met andere mensen door bijv. met anderen te gaan wandelen en onderwijl stil te staan bij God, de Eeuwigheid of Bron van leven.

 

Dag 95

“Ik vertel je dat we zouden moeten leren om God te zien in alle gaven en werken, niet berustend en tevreden met iets of dat we gehecht zouden raken aan iets. Want voor ons kan er geen gehechtheid zijn aan een speciale manier van doen of gedrag in dit leven, dat is zelfs niet goed, hoe succesvol we ook mogen zijn.”

 

Wanneer de woorden `gehecht zijn aan´ vallen, dan word ik altijd wat ongemakkelijk. Want de keerzijde hiervan is onthechting. Heel vaak wordt dit dan, zeker als het om geloofszaken gaat, opgevat als dat het hoogste doel een onthechting zou zijn van het aardse en het vrijwillig opgeven van zoveel mogelijk menselijke relaties. Daarmee wordt het werkelijk en ten volle gaan van de weg met God iets dat slechts voor weinigen is weggelegd.  Wie zou zich zo kunnen onthechten? Dat zijn er maar weinig. Terwijl ik juist geloven beleef in het hier en nu, in Gods schepping en in verbinding met anderen. In de uitspraken van Eckhart is dat ook iets wat hij voortdurend benadrukt. Daarom kan, naar mijn idee, onthechting niet te maken hebben met het je zelf onthechten van alle menselijke banden, tenzij dát de weg is die voor jou is bestemd. Wanneer Eckhart zegt dat we niet gehecht moeten raken, valt me op, dat hij dit niet koppelt aan het aardse of menselijke relaties. Maar het gaat om een niet gehecht zijn aan een manier van doen of gedrag. Dat maakt dat ik nadenk over aan welk gedrag of manier van doen ik gehecht ben en daar ook tevreden mee ben. Maar ook wat daar dan niet goed aan zou zijn. Het gaat dan om gedrag van mij dat verhinderd dat ik God kan zien in alle gaven en werken. Misschien is gedrag ook op te vatten als een bepaalde manier van denken, waar ik vertrouwd mee bent, gehecht zelfs, maar waarmee ik mezelf uiteindelijk ook beperk. Zodat God in zijn volheid door mij niet gezien wordt. Naar mijn idee betekent dit dat Eckhart waarschuwt dat ik altijd de mogelijkheid open moet houden dat God zich op andere manieren laat zien, dan wat ik geneigd ben te denken. Ik lees deze uitspraak dan ook als een oproep tot openheid en ontvankelijkheid.